|
Het centrale deel van het
opgegraven gebied is weergegeven op
de afbeelding hiernaast. De aangegeven gebouwen
behoren bijna allemaal tot de grote
villa uit de 2e en 3e eeuw. Omdat de
analyse van de grondsporen van de -
merendeels houten - gebouwen uit
eerdere én latere fasen van de
bewoning nog moet beginnen, zijn
deze hier weggelaten. Wél zijn een
aantal andere sporen uit deze fasen,
met name greppels, aangegeven.
De opgegraven funderingen zijn
aangevuld met de gegevens uit de
eerdere opgravingen, niet alleen die
van het RMO (1929 en 1947-1950) maar
ook die van Habets (1892-1893).
Inmiddels is namelijk gebleken dat
bij het onderzoek van Braat
aanzienlijke meetfouten zijn
gemaakt, waardoor de door hem
gepubliceerde plattegrond
onnauwkeurig en onvolledig is. In
1987 is geconstateerd dat diverse
door Habets ingemeten muren wel
degelijk aanwezig zijn, hoewel ze op
de plattegrond van Braat
ontbreken.
Deels is dit verklaarbaar door de
genoemde meetfouten, ten dele ook
doordat bij het onderzoek van Braat,
50 jaar na dat van Habets, bepaalde
ondiep gelegen structuren al waren
verdwenen. In ieder geval heeft de
huidige opgraving het vertrouwen in
de resultaten van Habets zeer
versterkt. In twee gevallen blijkt
Habets zelfs 'gewone' grondsporen,
dus geen funderingen, te hebben
herkend: voor die tijd een
opvallende prestatie.
Tegenwoordig is dat niets
bijzonders, maar het onderzoek van
dergelijke grondsporen heeft ook in
1987 weer tal van verrassende
ontdekkingen gebracht. Deze hebben
vooral betrekking op de
bewoningsfasen vóór en ná het
bestaan van de grote villa.
Een van de perceleringsgreppels (fossae
limitales) rondom de villa is in feite ouder
en behoort tot
een voorafgaande inheemse
nederzetting. De vondsten bestaan
hoofdzakelijk uit handgevormd,
inheems aardewerk en vuursteen, af
en toe ook een stukje Romeins
baksteenpuin. De datering van deze
aanleg blijft tamelijk onzeker: ca.
50 voor tot ca. 50 na Chr.
In 1987 zijn echter een aantal
nieuwe gegevens verkregen. Binnen de
greppel zijn sporen van diverse
houten gebouwtjes gevonden, allemaal
zeer eenvoudig van structuur. Grote
huizen ontbreken, al kan een gedegen
analyse van de duizenden opgetekende
paalsporen in de toekomst toch heel
goed alsnog het bestaan van
dergelijke boerderijen aantonen. Van
groot belang was vooral de
ontdekking van een tweede
rechthoekig afgegrensd terrein
binnen de al bekende greppel, dat
ook verband houdt met de inheemse
bewoning en wellicht zelfs met de
vroegste vestiging op het
terrein.
De begrenzing wordt in dit geval
niet gevormd door een greppel maar
door een ech te, oorspronkelijk 2.5
m diepe en 35 m brede gracht met
V-vormige doorsnede. De
vondsten bestaan uitsluitend uit
vuursteen en inheemse keramiek, die
ook op het binnenterrein van ca. 90
m bij minimaal 74 m in grote getale
voorkomen. Ook een greppel hoort bij deze nederzetting.
Ongetwijfeld gaat het dus om een
inheemse, versterkte nederzetting.
Vergelijkbare nederzettingen zijn in
het aangrenzende Duitse en Belgische
gebied gevonden, bijvoorbeeld te
Niederzier (Joachim 1982) en bij de
grote villa van Latinne, provincie
Luik (Plumier 1987). Ze dateren uit
de Late IJzertijd.
Er ontbreken sporen van een wal aan de
binnenzijde van de gracht, hoewel
die er wel geweest kan zijn. Het is
waarschijn lijk dat deze versterkte
nederzetting de eerste bewoning ter
plaatse representeert. Het veel
grotere terrein binnen greppel a kan
daar bij horen, maar het kan ook een
latere fase zijn. In ieder geval is
de greppel langer open gebleven want
de vulling bevatte, in tegenstelling
tot die van de gracht, ook wat
Romeinse baksteen.
|