|
In het horreum
was graan opgeslagen dat
voornamelijk bestond uit spelttarwe
(Triticum spelta). Eénmaal is een
haverkorrel (A vena sp.) gevonden,
maar deze kan ook tot de
onkruidsoort van haver hebben
behoord. Er konden in ieder geval
geen andere graansoorten worden
vastgesteld, wat betekent dat er in
de graanschuur alleen spelt tarwe
heeft gelegen toen die afbrandde.
Het feit dat alleen tarwekorrels
zijn gevonden, vrijwel geen kafresten en maar weinig onkruiden is
een bewijs dat in het horreum
gedorst en gezuiverd graan is
opgeslagen. Het botanische onderzoek
in de afgelopen jaren heeft aangetoond dat er bij gebouw A gedorst
moet zijn. Nadat het graan hier gezuiverd was,
werd het naar de graanschuur aan de
andere kant van het terrein gebracht
en opgeslagen. Dat dit horreum in
depars domestica ligt behoeft niet
te verbazen: het is de schatkamer
waarin de opbrengst van een jaar
hard werken werd opgeslagen!
Hoewel
het door Braat opgegraven badgebouw
ten zuiden van het horreum niet
opnieuw onderzocht kon worden, zijn
in de naaste omgeving daarvan wel
veel gegevens over de
watervoorziening verkregen. Deze
blijkt een ontwikkeling te hebben
doorgemaakt, want in eerste
instantie is van een waterput
gebruik gemaakt, direct naast het
badgebouw). Helaas is
een poging deze put geheel op te
graven door slechte
weersomstandigheden mislukt. De put
moet al in de Romeinse tijd - al dan
niet opzettelijk - zijn ingestort en
had een maximale doorsnede van 5.40
meter. De opgegraven diepte bedraagt
7.65 m. Met boringen is vastgesteld
dat de oorspronkelijke diepte
minstens 13 m is geweest. Op 12.80 m
onder het huidige maaiveld is een
watervoerende grindlaag
aangetroffen.
Wellicht heeft de put
in de eerste fase van de grote villa
het badgebouw van water voorzien,
maar hij kan ook heel goed al uit de
le eeuw dateren. In dat geval zou
zich onder het badgebouw nog een
voorganger kunnen bevinden die bij
de eerste villa hoort. Hoewel de
waterput al vrij vroeg in de 2e eeuw
buiten gebruik geraakt moet zijn, is
er nog lange tijd een gat gebleven,
veroorzaakt door nazakken van de
grond. In de ondiepe, zwarte
bovenvulling is materiaal gevonden
dat dateert uit de late 3e, wellicht
zelfs het begin van de 4e eeuw.
De
watervoorziening moet aanzienlijk
verbeterd zijn toen in de 2e eeuw
vanaf de bron of bovenloop van de
Hoensbeek een
ondergrondse stenen waterleiding naar de villa werd aangelegd
In 1987 is het verdere verloop
van deze aanvoer opgegraven.
De leiding komt binnen op het
achtererf en buigt dan met een
rechte hoek om tot voorbij het
horreum. Op de hoek is een put
aangelegd. Waarschijnlijk is van
hieruit via houten buizen, waarvan
ijzeren hoepels zijn teruggevonden,
water naar de achterzijde van het
centrale woongebied gevoerd. De
leiding eindigt ook weer in een
vierkante put, ten noorden van het
badgebouw. Een directe verbinding
tussen put en badhuis is niet
gevonden. Het tussenliggende stuk is
echter door Braat geheel vergraven,
zonder dat hij daar iets heeft
opgetekend.
Waarschijnlijk zijn de
aanwezige sporen al verdwenen na (of
door) het onderzoek van Habets. Op
diens plattegrond zijn een aantal
'muren' opgetekend, die veel ondieper gefundeerd moeten zijn geweest
dan normaal. Op andere punten in het
terrein is vastgesteld dat zowel
Habets als Braat stenen leidingen
voor funderingen hebben aangezien,
en dat zal ook hier gebeurd zijn.
Hoe de tekening van Habets op dit
punt nu precies geïnterpreteerd
moet worden is onzeker: misschien
was er sprake van een waterreservoir
met leiding naar het badgebouw,
misschien waren er meerdere fasen
van deels weer afgebroken leidingen.
Maar in ieder geval was er een
verbinding met het badhuis. De twee
afvoeren daarvan zijn trouwens nog
wél intact teruggevonden.
De
zuidelijke, die uitmondt in greppel
b, is het jongst. Voor dé
noordelijke lijkt oorspronkelijk een
aparte greppel gegraven te zijn. Via de greppels kwam het
water ongetwijfeld weer in de
Hoensbeek terecht, en datzelfde
gebeurde met het water dat naar het
hoofdgebouw werd gevoerd. Behalve de
al in 1985 ontdekte afvoergoot iis in 1987 een tweede ondergrondse
afvoer gevonden
parallel met de as van de villa. Ook
deze is eenmaal gedeeltelijk
vernieuwd en heeft waarschijnlijk
onder of in de berm van een pad
gelegen dat naar de centrale
hoofdingang voerde. Zowel Habets als
Braat hebben delen van deze goot
gevonden maar ze als muur (van de
eerste villa!) geïnterpreteerd.
|